Harmannus de Vries (1910-1995)    

zoon van Jan de Vries en Arendje Niks
echtgen. van Marchien Hulshof (1913-2006)

Vermeldingen

  • Geboren op 13 oktober 1910 te 2e Exloërmond.
  • Overleden op 23 november 1995 te Ter Apel.
  • Begraven op 28 november 1995 te 2e Exloërmond.

Beschrijving

Harmannus (Mans) kwam uit een veenarbeiders-familie. Zijn ouders, broers en zussen hebben er gewerkt. Hij zelf ook nog tot in de vijftiger jaren, maar toen kwam ook aan de turfproduktie in de gemeente Odoorn een einde en ging hij meer werken in de landbouw.
Hoe het leven als veenarbeider was, is te lezen in het boek van Sietse van der Hoek 'Hopen op een vrijer leven'(1978 Uitgeverij Boekencentrum B.V. 's-Gravenhage ISBN 9023927990), waarin verhalen voorkomen van Drentse veenarbeiders, waaronder van het echtpaar Anne en Dien de Vries uit Emmercompascuum. Ze zijn geen familie, maar het verhaal geeft een mooi tijdsbeeld.

Het leven was lelijk...
Anne en Dien de Vries hebben het hun leven lang niet kunnen laten. Er wat bijverdienen om te kunnen rondkomen. En nog lopen er kippen, schapen, varkens en parelhoenders op het kampje achter hun huisje in Emmer-Compascuum. Voor de handel en om wat om handen te houden. De aardappelschillen die Anne de Vries al weer jaar en dag met het paardje en de kar van de burgers ophaalt, dienen het vee tot voer. En het oud papier dat in dezelfde reis meegaat, is voor de kas van het jeugdgebouw. Soms bracht dat wel tweeduizend gulden per jaar op.
Bakker Buter, zo heette hij, ging met zijn blauwe zak met broden het veld in. Als kleine jongen ging ik wel met hem mee om brood te bezorgen. Dat viel nog lang niet altijd mee. D'r lag geen steen in het veen om op te staan, allemaal modder in de natte tijd van het jaar. Voor een hele dag meelopen kreeg ik dan een snee roggebrood en een plak stuut van de bakker. Dat was dan weer mooi meegenomen.
Het leven was lelijk, maar ik zal je vertellen: 't Was mooi leven'.
Sinds 1924 wonen Anne en Dien de Vries in dit huisje, waar ze ook zullen sterven. Als het niet tegenzit tenminste. Tot in de vijftiger jaren liep er het Scholtenskanaal voorlangs om iets verder oostelijk uit te monden in het Stads-Compascuumkanaal. Vanuit het venster in de keuken konden ze een heel eind het kanaal langs kijken, zolang het nog niet gedempt was, en als het niet mistte. In de voorkamer zitten ze bijna nooit.
Anne is van 1898, Dien van een jaar later.
'Wij zijn er goed doorheen gekomen, dat kun je wel zeggen. Toen Anne vijfenzestig werd, zei hij: Ik hang mijn schop op, werken doe ik niet meer. De handel heeft hij aangehouden om wat extra's naast de AOW te hebben. Eerlijk waar, we hebben nu een rijkeluisbestaan'
(In december 1977 overleed Anne de Vries.)

Schreiend
'De minste tijd van ons trouwen was toen hij geen werk had. In het veen was niks te doen. En in de werkverschaffing kon Anne zes gulden in de week verdienen, maar dan moest hij wel naar België, grondwerk. En drie maanden dat hij niet thuis kon komen. In de tussentijd zou het derde kind geboren worden. Hij is toen niet gegaan, had dus geen werk en geen uitkering, omdat hij België weigerde. Hij kwanselde en handelde wat met het kippie, maar veel bracht dat niet op'.
Anne: 'Gelukkig kon ik wat verdienen bij de boterventer. Elf cent voor een hele week. En een brood kostte negen cent. We deden er dan maar wat melk van de sikke overheen'.
Dien:'Ik zat zo in de put. Maar voor mekaar hield je je groot en hemelde je mekaar op. Achter mijn naaimachine alleen zat ik wel es te schreien. Als Anne dan thuis kwam en mij zo zag zitten zei hij: Schrei je? 't Komt wel weer goed'.
Anne: 'D'r lag in die tijd een Muntendammer voor het huis. Voor hem kon ik haring gaan venten. Wel goed verdiend toen. Later ben ik met hem meegegaan naar de hooiboer, in Andijk. Je moest in de rij staan en de dikke boer liep dan langzaam, keurend voor je langs. Zoals in de slaventijd in Amerika. Mijn kameraad kreeg voor zes weken werk, ik maar voor drie dagen. Omdat ik zo'n schriel kereltje was. Toch ben ik er zes jaar gebleven'.
Dien:'En ik ging met de kinderen aardappelkrabben in de herfst Zo hebben we het gered in ons leven'.

De grootvader van Anne de Vries werkte tot voorbij zijn zeventigste jaar in het veen. Meer naar het noordwesten toe. Anne's vader, Sake, en zijn moeder ook hun leven lang. Eerst in Valthermond, daarna met het veen afzakkend in Emmercompas.
Van vader Sake hangt een foto-portret in het gemeentehuis van Emmen. 'Rimpels van eenwerkmansgezicht, pijp in de mond, handen in zijn zakken en het kieltje aan. Precies zo als ie was. Dat kwam zo. Een westerse krant wilde wat over het veen schrijven. En de fotograaf zag mijn vader aan de kant van de wal. Daar was ie bijna altijd toen hij oud werd, langs het kanaal. Ze vonden hem typisch voor het volk in het veen'.

Copyright © 2006 J. Niemeijer